
In The Myth of the Rational Voter legt Bryan Caplan een ongemakkelijke vinger op de zere plek van moderne democratieën: het structurele falen zit volgens hem minder bij corrupte politici of machtige lobby’s, en meer bij de kiezer zelf. Caplan vertrekt van de bekende theorie van rationele onwetendheid: omdat één stem vrijwel nooit doorslaggevend is, loont het zelden om veel tijd te investeren in politieke kennis.
Waar deze theorie de kiezer nog als “rationeel maar slecht geïnformeerd” ziet, gaat Caplan een stap verder: kiezers houden systematisch foute overtuigingen over de economie aan.
Zijn kernconcept is rationele irrationaliteit. Als de persoonlijke kost van een misvatting laag is (je stem verandert toch niets), wordt het aantrekkelijk om vast te houden aan ideeën die emotioneel bevredigend klinken, zelfs als ze economisch fout zijn. Caplan werkt dit concreet uit met vier hardnekkige biases: wantrouwen tegenover marktwerking (anti-market bias), het onderschatten van de economische voordelen van interactie met buitenlanders (anti-foreign bias), het verwarren welvaart met jobs i.p.v. productie (make-work bias), en een hardnekkig pessimisme over economische vooruitgang (pessimistic bias).
De scherpste implicatie van Caplans analyse is dat politici niet per se dom of onbekwaam zijn, maar vaak gevangenen van de voorkeuren van het publiek. Wie herverkozen wil worden, wordt beloond voor beleid dat aansluit bij populaire economische misvattingen en gestraft voor beleid dat economisch zinnig is maar intuïtief onpopulair. Democratie faalt dus niet omdat politici de wil van het volk negeren, maar omdat ze die soms te getrouw uitvoeren.
Caplans conclusie is even provocerend als consistent: als het probleem bij de overtuigingen van de gemiddelde kiezer zit, dan volstaat het niet om “betere leiders” of “meer transparantie” te eisen. Zolang stemmen nauwelijks persoonlijke kosten dragen, zullen irrationele maar prettig aanvoelende ideeën politiek rendabel blijven, en zullen partijen die zich daarop afstemmen structureel voordeel hebben. De uitweg die Caplan suggereert is daarom niet minder democratie uit cynisme, maar meer institutionele remmen op beleid dat populair is maar economisch schadelijk: een beperktere beleidsruimte voor de politiek en meer vertrouwen in marktmechanismen. Het probleem is dus niet dat democratie faalt ondanks de kiezer, maar dat ze soms faalt dóór de kiezer.
